Talrijke Saksers, en al enige tijd ook de Friezen, zijn zich komen vestigen in het kustgebied. Ze hebben geleidelijk de Keltische taal van de Morinen verdrongen en hun taal, de voorloper van het Vlaams in het gewest verspreid. Al met al is er vrij weinig overgebleven van het christelijk geloof door Victricius en zijn gezellen in de 4e eeuw alhier ingeplant. Het heidendom woekert als vanouds. De eerste twee eeuwen die volgden op het einde van de Romeinse era, t.t.z. van 450 tot 650, zijn voor wat de Westhoek betreft in de diepste duisternis gedompeld. Pas vanaf het midden van de 7e eeuw komt er opnieuw enige duidelijkheid over de geschiedenis van onze streeek.

Volgens de overleveringen predikt Sint-Eligius het geloof omstreeks het midden van de 7e eeuw in Nieuwpoort en richt hij er mogelijkerwijze een kapel op. Het bisdom Terwanen, het bisdom van de Morinen - waarvan o.a. te Nieuwpoort zal afhangen tot in 1561, wordt gesticht omstreeks het jaar 600.

Sint-Omaar, de derde bisschop van Terwanen, heeft bij zijn aanstelling omstreeks 638, zijn handen vol met het grote aantal heidenen dat er gevestigd is. Voor de bekering van zijn uitgestrekt bisdom zal hij moeten steunen op zendelingen uit andere gewesten, d.i. uit Frankrijk, Ierland en Engeland. Het klooster van Sithiu (Sint-Omer), gesticht in 649, zal hem eveneens in deze taak bijstaan. De heilige Bertinus - naar wie het klooster later zou genoemd worden en bekend geraken - werd als tweede abt aangesteld in 661 (zie zijn volledig verhaal op de www.westhoek.net tijdlijn).

De komst van de zendelingen toont aan dat de politieke toestanden in het kustgebied en de Westhoek op het einde van de 7e eeuw vrij vreedzaam zijn. Het centraal gezag ligt in de handen van Pepijn de Korte. Onze heidense voorouders koesteren aanvankelijk geen al te vriendelijke gevoelens tegenover de zendelingen. Het is een lastige en gevaarlijke taak die sommigen met het leven bekopen.